Vitamines en wetgeving

vitc.jpg 

Voedingssupplementen

Per 1 augustus 2003 zijn er Europese regels over voedingsupplementen, zoals vitaminepillen. Deze staan in een Europese richtlijn (2002/46/EG). Tot nu toe waren er aparte regels per lidstaat. In deze richtlijn is geregeld welke stoffen, en in welke chemische vorm, mogen worden toegevoegd. Het verschil met de ‘bestaande’ Nederlandse regels is dat de minimale en maximale aanwezige hoeveelheid vitamines en mineralen/spoorelementen in een supplement worden vastgelegd. De regels gelden sinds 1 augustus 2005. Tot 31 december 2009 mogen onder bepaalde voorwaarden, ook nog al op de markt zijnde supplementen worden verkocht die andere stoffen, of vitamines in een andere vorm, bevatten dan in de richtlijn is vermeld. Dit omdat de lijst van toegestane stoffen in de EU richtlijn nog in bewerking is. Indien echter over een gebruikte stof een ongunstig advies wordt afgegeven door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) zal het gebruik hiervan niet meer zijn toegestaan.


Vitamine A en D

De maximale dagdoseringen voor vitamine A en D zijn nog niet vastgesteld. Dus geldt hiervoor nog de Nederlandse Warenwetregeling Vrijstelling vitamineprepraten. Volgens dit besluit zijn de hoeveelheden vitamine A en D aan maxima gebonden. Per dagdosering mag een vitaminesupplement maximaal 1200 µg vitamine A en 5 mcg vitamine D bevatten. Supplementen voor kinderen tot en met 6 jaar, voor vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven, en personen van 60 jaar en ouder, mogen maximaal 15 mcg vitamine D bevatten. Als een supplement meer dan 650 mcg vitamine A bevat, dan dient het etiket te vermelden dat het supplement niet geschikt is voor kinderen onder de twee jaar. De doseringen van andere vitamines dan A en D zijn vrijgelaten maar mogen uiteraard in het supplement niet in schadelijke hoeveelheden voorkomen. Op de verpakking dient duidelijk te worden vermeld dat het product is bedoeld als aanvulling op de voeding met de verplichte aanduidingen ‘voedingssupplement’ en ‘een evenwichtige voeding bevat voldoende vitamines’.
 

Op sommige etiketten worden voor vitamine A, D en E nog de oude internationale eenheden (IE of IU) vermeld. Deze kunnen als volgt worden omgerekend:

Vitamine A: 1 IE = 0,3 microgram [1 microgram (mcg) = 3,3 IE]

Vitamine D: 1 IE = 25 nanogram vitamine D [1 microgram = 40 IE]

Vitamine E 1 IE = 1 mg dl-alfa-tocoferylacetaat = 0,91 mg dl-alfa-tocoferol.


Doseringsadvies

Naast deze verplichte aanduidingen hoort op de verpakking een doseringsadvies te staan, dus hoeveel tabletten, dragees, capsules of druppeltjes dagelijks moeten worden ingenomen. Ook het gehalte aan vitamines per product en hoeveel procent dat is van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH), dient op de verpakking of in de bijsluiter te staan. ADH’s moeten op het etiket worden vermeld volgens de Europese Richtlijn 90/496/EG.


Gevitamineerde oftewel verrijkte voedingsmiddelen

Sinds 2007 is er ook een Europese verordening van kracht (1925/2006/EG) waarin geregeld wordt welke stoffen (en welke vormen) mogen worden toegevoegd aan eten en drinken. Ook hiervoor gelden minimale en maximale hoeveelheden die mogen worden toegevoegd. Net als bij de voedingssupplementen geldt dat deze minimale en maximale hoeveelheden nog niet zijn vastgesteld. Ook deze lijst van toegestane stoffen is nog niet definitief. Voor verrijkte voedingsmiddelen die al op de markt zijn maar die stoffen bevatten, of hoeveelheden die afwijken van de EU verordening, geldt dat deze tot 14 januari 2014 nog onder de nationale (Warenwet) regelgeving in de handel mogen blijven. Dit is geregeld in het Warenwetbesluit

Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen
Het toevoegen van vitamines (en mineralen) aan levensmiddelen is in Nederland sinds 1996 toegestaan. Er zijn drie manieren waarop vitamines worden toegevoegd: restauratie, substitutie of verrijking.


Restauratie, substitutie of verrijking

Bij restauratie worden de vitamines en mineralen die bij de productie en het bewaren van levensmiddelen verloren zijn gegaan weer aangevuld, tot het gehalte vitamines dat in de oorspronkelijke ingrediënten voorkomt. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij kant-en-klaarmaaltijden. Bij substitutie gaat het om een product dat een ander product vervangt (bijvoorbeeld margarine door boter). Aan het vervangende product mogen vitamines en mineralen worden toegevoegd tot het gehalte dat in het oorspronkelijke (te vervangen) product voorkomt. Bij verrijking worden er extra vitamines en mineralen toegevoegd, ongeacht of deze van nature al in het product voorkomen. Voorbeelden zijn cornflakes of zuivelproducten met extra vitamines. Volgens de Warenwet moet een verrijkt product minimaal 15 procent en maximaal 100 procent van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid per dagportie bevatten. In de nieuwe EU verordening zullen andere minimale en maximale hoeveelheden gaan gelden. Zolang deze nog niet zijn vastgesteld geldt de Warenwetregeling. In principe mogen alle vitamines en mineralen worden toegevoegd die volgens de Warenwet (en de EU verordening) zijn toegelaten. Tot voor kort was toevoeging van vitamines A, D, en foliumzuur, evenals van jodium, selenium, koper en zink niet toegestaan, tenzij een vrijstelling was verleend. Deze beperking is echter door een uitspraak van de Europese rechter komen te vervallen. Voor vitamine D en foliumzuur geldt voorlopig een aparte Warenwetregeling. Een product mag maximaal 4,5 microgram vitamine D, en/of 100 microgram foliumzuur bevatten per hoeveelheid product van 100 kcal.


Informatievoorziening

Eten en drinken waaraan vitamines zijn toegevoegd, moet altijd informatie over de voedingswaarde bevatten. Dit is de hoeveelheid energie (kcal) en de hoeveelheid eiwitten, koolhydraten en vetten, eventueel aangevuld met de hoeveelheid suikers, verzadigde vetzuren, voedingsvezel en natrium. Bij verrijking moet het gehalte aan toegevoegde microvoedingsstoffen (per 100 g of 100 ml, in absolute hoeveelheden en in procenten van de ADH) worden vermeld, bij substitutie of restauratie is dit niet verplicht. Hierbij moeten de Aanbevolen Dagelijkste Hoeveelheden (ADH-waarden) worden gebruikt. Deze staan in het warenwetbesluit, volgens de Europese Richtlijn 90/496/EEG over etikettering.

Een vermelding dat een product rijk is aan een bepaalde vitamine mag alleen voorkomen op levensmiddelen waarin dat vitamine ook al van nature voorkomt en het gebruik zodanig is dat 20 procent van de behoefte aanwezig is in een gemiddelde dagelijkse portie van het product. Een fabrikant mag niet suggereren dat je zonder het product niet genoeg vitamines en mineralen zou kunnen binnenkrijgen.  

Bron: Voedingscentrum

Mineralen en spoorelementen in levensmiddelen

Mineralen en spoorelementen komen van nature voor in een groot aantal producten, waaronder de door de mens geconsumeerde voedingsmiddelen. In de tabellen is te zien in welke producten ze voorkomen. In de derde tabel is te zien wat de relatieve bijdrage is van verschillende productgroepen aan de totale inneming in Nederland van mineralen en spoorelementen.

Belangrijkste bronnen van enkele mineralen

Mineraal (chemisch symbool)

Belangrijke voedingsbronnen

Calcium (Ca)

met name in zuivel (melk, yoghurt, kaas) en in groenten

Chloride (Cl)

in vrijwel alle voedingsmiddelen, in combinatie met Na of K (als chloride)

Fosfor (P)

in vrijwel alle voedingsmiddelen, met name in zuivel (melk), kaas en vis

Kalium (K)

in vrijwel alle voedingsmiddelen, met name in aardappelen en groente en fruit

Magnesium (Mg)

in vrijwel alle voedingsmiddelen, met name in volkoren brood, melk, en vlees

Natrium (Na)

in vrijwel alle voedingsmiddelen; keukenzout (NaCl); Kaas, vleeswaren

Belangrijkste bronnen van enkele spoorelementen

 

Spoorelement

Belangrijkste voedingsbronnen

Chroom (Cr)

in vrijwel alle voedingsmiddelen, met name ook in volkorenproducten

Fluor (F)

thee, melk, zeevis [tandpasta]

IJzer (Fe)

vlees brood en groenten

Jodium (I)

bood (via gejodeerd bakkerszout), zeevis, gejodeerd keukenzout

Koper (Cu)

groente, fruit, vlees

Mangaan (Mn)

ruimschoots aanwezig in plantaardige voedingsmiddelen

Molybdeen (Mo)

Vooral in brood, melk en graanproducten

Selenium (Se)

rijst, vis, vlees

Zink (Zn)

zilvervliesrijst, vlees, brood

Bron: Voedingscentrum

Vitamines en chronische ziekten

Resultaten van grootschalig bevolkingsonderzoek wijzen op een beschermende rol van sommige vitamines tegen het ontstaan van chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten, osteoporose en een aantal vormen van kanker. In de tabel zijn de belangrijkste relaties tussen vitamine-inneming en het risico op (chronische) ziekten samengevat, waarbij globaal is aangegeven hoe sterk de wetenschappelijke bewijskracht is voor de onderzochte relaties. De mate van bewijskracht hangt af van het soort onderzoek dat de basis vormt voor de gevonden relatie.

Bewijzen

Uit de tabel kan worden geconcludeerd dat er voor een aantal vitamines aanwijzingen zijn voor een beschermend of therapeutisch effect, maar dat het bewijs daarvoor vooralsnog slechts in een beperkt aantal gevallen is geleverd. Een ‘probleem’ bij veel tot nu toe gehouden interventiestudies is dat deze worden uitgevoerd met hoeveelheden vitamines die ruim boven de ADH uitgaan (bijvoorbeeld voor vitamine C en E) en in een vorm (als supplement) waarbij wordt afgeweken van de natuurlijke voeding.

Relatie tussen (extra) vitamine inneming en ziekterisico1

 

Vitamine

Relatie met ziekte

Bewijskracht2

Foliumzuur

Neuraalbuisdefect

***

 

Hart- en vaatziekten

**

 

Colonkanker (dikkedarmkanker)

**

 

Dementie

*

Antioxidant vitamines: Vit. E, C, ß-caroteen

Hart- en vaatziekten

Geen positief effect aangetoond in interventiestudie

 

Kanker

Vit. E en prostaatkanker (**). Voor andere kankersoorten zijn geen positieve effecten aangetoond.

 

Cataract (staar)

* (vit. C en E)

 

Sterfte aan ziekte in het algemeen

Geen positieve effecten aangetoond in interventiestudie

Vit. D

heupfracturen (osteoporose) (botdichtheid)

*** (in combinatie met calcium, met name bij vrouwen na de menopauze)

Vit. D; Niacine

Diabetes Mellitus type 1 bij pasgeborenen

* (D) *** (niacine)

Vit A, D, E, B6

Verbeterde afweer (immuunrespons)

* (bij ouderen)

Bron: Voedingscentrum

1. Ontleend aan Schrijver & van den Berg, 2003 (Ned. Tijdschrift v Geneeskunde 147: 752-6)

 

2.

* Aanwijzingen uit observationeel (patiënt-contrôle) onderzoek

** Aanwijzingen uit prospectief cohortonderzoek

*** Bevestigd in gerandomiseerde klinische interventiestudie

 

Schadelijke effecten van te veel vitamines

Voor een aantal vitamines is vastgesteld dat een te hoge inneming schadelijk kan zijn. Dit betreft met name vitamine A, betacaroteen, D, E, C en B-6. Ook zijn voor niacine en foliumzuur ongewenste effecten van een te hoge inneming bekend, maar dit betreft alleen speciale (synthetische) vormen van het vitamine zoals die in supplementen of in verrijkte producten zouden kunnen voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de voornaamste schadelijke effecten voor de vitamines en de vastgestelde bovengrenzen van een ‘veilige’ inneming vermeld.

 

Vitamines en toxiciteit (giftigheid)

Vitamine

Ongewenste effecten bij te hoge inneming

Vitamine A (retinol)

 

 

 

 

Beta-caroteen

(provitamine A)

Verhoogde hersendruk (baby’s); leverschade; vruchtafwijkingen tijdens de zwangerschap; verhoogd kans op heupfractuur AB*: 800 mcg (1-3 jr) tot 3000 (volw.) mcg/d

Aanwijzigingen voor verhoogd risico op longkanker bij rokers bij gebruik als supplement (in synthetische vorm bij doseringen van meer dan 10 mg/per dag). Dit geldt niet voor beta-caroteen (carotenoïden) dat van nature in groenten en fruit zit. Er is geen AB* voor beta-caroteen vastgesteld.

Vitamine D (calciferol)

Hypercalcemie (kalkafzetting in zachte weefsels); misselijkheid, zwakte AB: 25 mcg (< 1 jr) tot 50 (volw.) mcg/d

Vitamine E (tocoferol)

Vertraagt de bloedstolling bij personen die antistollingsmiddelen (warfarine) gebruiken AB: 300 mg/db

Vitamine K (fyllochinon, menachinon)

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij doseringen tot tenminste 500 mg/d (K-1)

Thiamine (B-1)

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij doseringen tot tenminste 10 mg/d

Riboflavine (B-2)

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij doseringen tot tenminste 5 mg/d

Niacine (B-3)

Bloedvatverwijding (opvliegers, ‘flushing’) AB: 35 mg/dag (geldt alleen nicotinezuur)

Pantotheenzuur (B-5)

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij hoge doseringen

Vitamine B-6 (pyridoxine)

Neurotoxiciteit AB: 5 mg (1-3 jr) tot 25 mg/d (volw.)

Biotine

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij doseringen tot 100 mcg/d

Foliumzuur (B-11)

Niet bekend voor natuurlijk foliumzuur (voedingsfolaat), wel mogelijke maskering hematologische effecten vit B-12 tekort door synthetisch foliumzuur (PMG); idem uitlokking neurologische symptomen. AB: 0,2 mg (1-3 jr) tot 1 mg/d (volw.)

Vitamine B-12 (cobalamine)

Niet bekend; geen ongewenste effecten gezien bij doseringen tot tenminste 1 mg/d

Vitamine C (ascorbinezuur)

Darmirritatie (diarree); verhoogde kans op niersteenvorming bij personen die daar gevoelig voor zijn.

AB: 2 g/dag (VS), in EU niet AB vastgesteld, wel is aangegeven dat bij hoeveelheden >1 g/d darmklachten kunnen optreden.

 

* AB = aanvaardbare bovengrens

 

De bovengrenzen in de tabel zijn, voor zover beschikbaar, ontleend aan ‘position papers’ van het Comité voor de menselijke voeding van de Europese Unie, en overgenomen van de nieuwe Nederlandse Voedingsnormen van de Gezondheidsraad. Daarnaast zijn gegevens ontleend aan de nieuwe Amerikaanse voedingsnormen (Dietary reference intakes) waarin eveneens ‘aanvaardbare bovengrenzen van inneming’ (‘tolerable upper intake levels’) zijn opgenomen. Meer informatie over veiligheidsnormen van voedsel.

Bron: Voedingscentrum

Vitaminetekort

Als de inneming van vitamines gedurende langere tijd onder de behoefte uitkomt, neemt de kans op een vitaminetekort toe. Een vitaminetekort ontwikkelt zich geleidelijk. In een vroeg stadium zijn er nog geen verschijnselen merkbaar, wel daalt het vitaminegehalte in bloed en in de weefsels. Als met de voeding onvoldoende vitamines worden ingenomen doen de eerste verschijnselen voor na enkele weken. Dit is afhankelijk van de lichaamsvoorraad. Voorbeelden van de verschijnselen zijn vermoeidheid, lusteloosheid of concentratieproblemen. Pas na langere tijd (enkele maanden) kunnen zich meer specifieke verschijnselen voordoen. Een vitaminetekort kan alleen met zekerheid worden vastgesteld na biochemisch onderzoek.

Kans op tekort

Als er geen sprake is van ziekte (bijvoorbeeld een langdurig gestoorde darmfunctie) en het eetpatroon gebalanceerd en gevarieerd is, is de kans op een vitaminetekort klein. De voeding levert in principe voldoende vitamines. Alleen voor jonge kinderen, zwangeren, vrouwen die borstvoeding geven en ouderen, geldt dat aanvulling nodig is, bijvoorbeeld met vitamine D (alle genoemde groepen) of foliumzuur (vrouwen die zwanger willen worden). Ook mensen die gedurende langere tijd bepaalde geneesmiddelen gebruiken, kunnen een verhoogde behoefte hebben, als ze onvoldoende worden voorzien door de gebruikelijke voeding. Of iemand extra vitamines nodig heeft, kan in dat geval met de behandelende arts worden besproken.

Bron: Voedingscentrum

Groepen voor wie extra vitamines zinvol kunnen zijn

Extra vitamine D voor mensen met een donkere huidskleur

Personen met een donkere huidskleur maken moeilijker vitamine D aan, dan mensen met een lichte huid. Bij allochtonen, in het bijzonder bij allochtone vrouwen, die niet vaak buiten de deur komen en weinig calcium met de voeding binnenkrijgen, kan dit leiden tot een tekort aan vitamine D en daardoor tot een achteruitgang in de botsterkte (osteomalacie). Om deze reden adviseert de Gezondheidsraad aan mensen met onvoldoende zonlichtblootstelling (minder dan 15 minuten per dag) of donkere (negroïde) huid, dagelijks 2,5 microgram extra vitamine D per dag in te nemen.

Extra vitamines met ander voedingsgedrag

Bij personen met een éénzijdige voedingsgewoonte, zoals veganisten en macrobioten, kan een tekort aan de vitamines B12 en D ontstaan.

Bij personen die afvallen met een niet-evenwichtig dieet kan er (tijdelijk) sprake zijn van een tekort aan voldoende vitamines. Maaltijdvervangers dienen volgens de Warenwet per maaltijd tenminste een derde deel van de ADH voor alle essentiële micro-voedingsstoffen (vitamines en mineralen) te bevatten

Bij anorexiapatiënten is er een reële kans op tekorten van vrijwel alle microvoedingsstoffen.

Rokers en drinkers krijgen in het algemeen te weinig vitamines binnen, voor een belangrijk deel als gevolg van een minder gunstig voedingspatroon. Rokers hebben een grotere behoefte aan vitamine C (circa 50 procent). Extra inneming van pro-vitamine A (betacaroteen) wordt rokers ontraden in verband met een mogelijk verhoogd risico op longkanker. In tegenstelling tot overmatig alcoholgebruik heeft matig alcoholgebruik geen consequenties voor de vitaminebehoefte. Bij alcoholisten kan er sprake zijn van meerdere vitaminetekorten, met name van vitamines B-1 en B-6.

Voor (top)sporters geldt dat de voeding niet altijd optimaal is. Extra vitamines in de voeding kunnen zinvol zijn, maar er is niet aangetoond dat het prestatievermogen beter wordt als extra vitamines worden geslikt, in vergelijking met mensen met een normale gevarieerde voeding.

Medicijngebruikers

Er zijn medicijnen die bij langdurig gebruik direct of indirect invloed hebben op de stofwisseling of de werking van vitamines. Dit zijn onder andere p-aminosalicylzuur (vit. B12 en K), antibiotica (vit. B2, biotine en vit. K), galzuurbinders zoals cholestyramine en colestipol (vit. A, D, E, K, B12, foliumzuur), fenytoïne (vit. D, K, foliumzuur), isoniazide (niacine, vit. B6) en methotrexaat (foliumzuur).

In principe dient de behandelende arts hier alert op te zijn en in voorkomende gevallen zonodig extra vitamines voor te schrijven.

Bron: VoedingsCentrum

 

Wie heeft extra vitamines nodig?

Kinderen tot vier jaar, zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven en senioren hebben een grotere behoefte aan bepaalde vitamines. De hoeveelheid die zij nodig hebben is zo groot dat die niet of nauwelijks door de voeding kan worden geleverd. Voor hen geldt een officieel (overheids)advies om extra vitamines te slikken. Voor alle anderen is de hoeveelheid vitamines in een gevarieerd en evenwichtig eetpatroon voldoende; ook in de wintermaanden.

 

Zuigelingen en peuters
Baby’s die borstvoeding krijgen, hebben gedurende de eerste drie maanden 25 microgram vitamine K per dag nodig. Dit wordt gegeven als supplement. Baby’s die volledige zuigelingenvoeding uit de fles krijgen, krijgen hierdoor voldoende vitamine K binnen. Dit vitamine is op grond van de Warenwet eraan toegevoegd.

Tot ze vier jaar zijn hebben kinderen ook een aanvulling nodig van 5 microgram vitamine D per dag, behalve als ze volledige zuigelingenvoeding of opvolgmelk krijgen. Hieraan is al vitamine D toegevoegd. Zij hebben de extra vitamine D nodig voor de opbouw van de botten en tanden. Hoewel vitamine D onder invloed van zonlicht door het lichaam zelf wordt gemaakt en voor een deel in de voeding zit, komen zij toch vitamine D te kort.

 

Zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven
Vrouwen die zwanger willen worden, wordt geadviseerd dagelijks een supplement met 400 microgram foliumzuur per dag te slikken tot en met de eerste acht weken van de zwangerschap. Foliumzuur speelt een grote rol bij de aanleg van de hersenen en het ruggenmerg (neurale buis) van het ongeboren kind. Door de geadviseerde hoeveelheid foliumzuur is er een kleinere kans op een kind met een open ruggetje.
Zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, wordt geadviseerd 5 microgram vitamine D per dag extra in te nemen.

Dit is nodig voor een goede botopbouw van het kind. Vitamine D zorgt ervoor dat calcium goed wordt opgenomen uit de voeding.

Senioren
Vanaf de leeftijd van 50 jaar hebben vrouwen extra vitamine D nodig; voor mannen is dit vanaf 60 jaar. De extra behoefte ontstaat doordat de huid minder goed in staat is om vitamine D aan te maken. Bij mensen die weinig buiten komen is de behoefte groter, dan bij mensen die geregeld in het zonnetje zitten. Eten voorziet niet in deze extra behoefte. Daarom is vitamine D slikken verstandig. Hoeveel hangt af van leeftijd en geslacht:

  • Vrouwen van 50 – 60 jaar: 2,5 microgram per dag
  • Vrouwen van 60 – 70 jaar: 5 microgram per dag
  • Vrouwen vanaf 70 jaar: 10 microgram per dag
  • Mannen van 60 – 70 jaar: 2,5 microgram per dag
  • Mannen vanaf 70 jaar: 7,5 microgram per dag

 

Van vitamine D kan men gemakkelijk te veel binnenkrijgen. Houd daarom bovenstaande geadviseerde hoeveelheden aan of de hoeveelheden die de arts voorschrijft.

Er komen steeds meer aanwijzingen dat bij een aanzienlijk deel van ouderen (circa 25%) de opname van vitamine B12 uit de (natuurlijke) voeding, maar niet uit supplementen, gestoord is. Daarom kan voor deze groep ook vitamine B12 zinvol zijn, bijvoorbeeld door het gebruiken van een supplement.

Bron: Voedingscentrum

Vitamines en cosmetica

Vitamines worden op grote schaal toegevoegd aan cosmetische producten zoals zonnebrandolie, huidcrèmes en shampoo. Vitamine A en E in huidcrèmes worden wel opgenomen door de huidcellen maar komen niet in de bloedbaan terecht. Vitamine A speelt een rol bij de vorming van de opperhuid (epidermis), die het lichaam beschermt tegen ‘indringers van buiten’. Vitamine E is een antioxidant die een rol speelt bij de bescherming van de huid tegen oxidatieve schade, bijvoorbeeld als gevolg van UV blootstelling (zonnebrand). Dit geldt ook voor betacaroteen en andere carotenoïden zoals lycopeen. Deze vitamines zijn echter al van nature in de (huid-)cellen aanwezig, aangevoerd vanuit de bloedbaan.

 

Werking niet bewezen

In hoeverre de extra vitamines, die via crèmes en zonnebrandolie op de huid aangebracht worden, een toegevoegde waarde hebben is niet met zekerheid te zeggen. De werking is vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de toevoeging van vitamines aan shampoo. Omdat pantotheenzuur (Vitamine B5) water aantrekt (hydraterend effect) geeft toevoeging van dit vitamine aan shampoo het haar wat meer volume. Dit effect heeft echter niets met ‘voeding’ te maken, maar is een ‘cosmetisch’ effect.

Een goede voorziening met B-vitamines is wel van belang voor het in stand houden van een gezonde huid en haren, maar daarvoor helpt alleen een evenwichtige en gebalanceerde voeding. B-vitamines uit shampoo en crèmes worden niet door de huid opgenomen en hebben daarom geen toegevoegde waarde.

Bron: Voedingscentrum

Wat gebeurt er met vitamines bij het koken of bewaren?

De manier waarop levensmiddelen worden bewaard of bewerkt, is van invloed op de hoeveelheid vitamines die erin blijven. Door verhitting kan bijvoorbeeld verlies optreden. De vitamineverliezen bij de bereiding kunnen variëren tussen circa 10 en 50 procent. En in extreme gevallen kan het zelfs tot 100 procent oplopen. Het verlies is afhankelijk van de omstandigheden, zoals de kooktijd en de -temperatuur, de hoeveelheid vocht of de zuurgraad. Bij koken in water gaat het vooral om lekkage van de wateroplosbare vitamines naar het kookvocht. Bij het bakken of braden in vet of olie komt ook een deel van de vetoplosbare vitamines in het vet (jus) terecht. Bij bewaren in de vriezer geldt dat vitamines in het algemeen behouden blijven.

Bereidings- en bewaaradvies

Een algemeen advies om zoveel mogelijk vitamines te behouden, is voedingsmiddelen niet langer te verhitten dan nodig is om ze gaar te koken, te bakken of te braden. Ook kan het verlies worden verminderd door met weinig water te koken. Bij het bewaren kan het best gelet worden op de temperatuur; bewaar producten bij voorkeur op een koele plaats of in de vriezer en zorg voor zo min mogelijk lichtblootstelling (weinig of geen (UV-) licht).

Voordelen van bereiding

Hoewel de keukenbereiding van levensmiddelen tot vitamineverlies kan leiden, zorgen handelingen zoals snijden en koken ervoor dat de vitamines beter opgenomen kunnen worden door het lichaam. Dit wordt ook wel de biobeschikbaarheid van vitamines genoemd. De bewerkingen bevorderen het vrijkomen van vitamines in het maagdarmkanaal, waardoor er een grotere kans is op de opname ervan via de darmwand. Het gaat dus steeds om het vinden van de optimale balans tussen een goede verteerbaarheid en het vrijmaken van vitamines in het voedsel met een minimaal bereidingsverlies.

Industriële bewerking

Bij de industriële bewerking van voedingsmiddelen, zoals het malen van granen of het ontvetten van melk kunnen ook vitamineverliezen optreden. Om deze verliezen te compenseren mogen bedrijven de vitamines van de bewerkte levensmiddelen restaureren. Dit wil zeggen dat ze na de bewerking vitamines toevoegen om dezelfde gehaltes te bereiken die in het onbewerkte product zaten. Zo worden in Engeland en in de Verenigde Staten, maar niet in Nederland, bepaalde B-vitamines toegevoegd aan meel en melk. Ook kunnen vitamines worden toegevoegd in zogenoemde substitutieproducten. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij margarine (dat bij velen de plaats inneemt van boter) waaraan de vitamines A en D zijn toegevoegd. Dit wordt gedaan om ervoor te zorgen dat de bevolking een grotere kans heeft om voldoende A en D binnen te krijgen.

Dankzij moderne productietechnieken en bewaarmethoden worden vitamines tegenwoordig beter behouden dan vroeger. Zo blijft het vitamine C-verlies beperkt door groente vlak voor het invriezen kort te blancheren.

Bron: Voedingscentrum

Variëren met voeding

Goed en gevarieerd eten is nodig om voldoende van elke vitamine binnen te krijgen. In veel groente en fruit zit vitamine C. Vitamine D zit in margarine, halvarine en vette vis die ook bronnen zijn van vitamine A en E. Melkproducten zoals melk, yoghurt en kwark en graanproducten zoals brood en muesli leveren de B-vitamines die het lichaam nodig heeft. Groente en fruit leveren behalve veel vitamine C ook foliumzuur en bioactieve stoffen zoals carotenoïden en bioflavonoiden.

Wisselwerking

Sommige vitamines en mineralen hebben een wisselwerking en kunnen de opname van andere vitamines beïnvloeden. IJzer uit brood wordt bijvoorbeeld beter opgenomen door het lichaam als tegelijkertijd vitamine C, zoals fruit of vruchtensap gegeten of gedronken wordt. De opname van calcium is afhankelijk van de hoeveelheid vitamine D in het lichaam. Door dagelijks gevarieerd te eten, met producten uit alle groepen voedingsmiddelen, krijgt het lichaam alle vitamines en voedingstoffen binnen die het nodig heeft.

Uit welke producten halen Nederlanders hun vitamines?

Producten of productgroepen bevatten niet altijd dezelfde vitamines of dezelfde gehaltes. Dit hangt bijvoorbeeld af van de herkomst van het product of de productiewijze. De gemiddelde vitamine-inneming in Nederland is dan ook afhankelijk van de verschillende producten of productgroepen in het voedingspatroon. Dit zal per persoon verschillen. De meeste mensen krijgen via een dagelijkse gevarieerde voeding gemiddeld voldoende vitamines binnen.

Bron: Voedingscentrum